Feeds:
Berichten
Reacties

Eindelijk, na een week reizen op de as van het kwaad, hebben we even tijd om weer een stukje te schrijven. Vanaf het moment dat we vorige weekdinsdag het land binnenkwamen, lijkt het alsof we in een achtbaan zijn gestap, waarin we zijn meegesleurd door de Iraanse gastvrijheid en ons hebben verbaasd, vergaapt, verwonderd, geergerd en … leeggezweet.

We zijn in Tabriz, in het noordoosten begonnen. De timing was niet zo goed, want de hele week bulkte van de religieuze en nationale feestdagen (doorgaans rouwdagen, heel gezellig), waardoor zo ongeveer alles plat ligt. Het schijnt dat wij nog mazzel hadden omdat we vervoer naar andere steden konden vinden – veel andere reizigers moesten taxi’s huren. Herdacht wordt de dood van Khomeiny (wiens
afbeelding je op iedere straathoek tegenkomt en de dood van een aantal profeten/martelaars).

Aanvankelijk hadden we wel even moeite met dit land. Nienke moet zich ‘gepast’ kleden en dat is toch niet zo heel erg fijn (vooral heel erg heet, zeker hier in de woestijn van Yazd). Zo zijn de wc’s in de hotels bijvoorbeeld niet in de kamer en moet je als je gaat plassen (tenminste de vrouw) het hoofddoekje gewoon omdoen. Het is nogal bewerkelijk en warm. Wat ook niet echt hielp is dat we door iedereen werden aangestaard in het begin (en eigenlijk nog steeds); dat maakte dat we ons nog wel eens wat ongemakkelijk voelden, dat wij de attractie zijn.

Maar Iran heeft ons hart wel verovert en dat komt vooral door de onmetelijke gastvrijheid. We worden vaak aangesproken op straat door mensen die ons welkom heten in Iran. Ze willen dat alleen maar even gezegd hebben. Ook hebben we er inmiddels een complete familie bijgekregen. Toen we in Isfahan aankwamen (eerste indruk: de mooiste stad die we ooit gezien hebben) konden we geen hotel vinden, omdat alles vol zat. Heet en uitgeput vroegen we een schoenverkoper of we bij hem konden bellen. Hij en zijn vrouw hebben ons vervolgens in de auto gezet en zijn samen met ons een hotel gaan zoeken. Uiteraard moesten we ’s avonds met hen mee de stad in en de volgende dag bij hun thuis lunchen (en slapen). Gisteravond zijn we weer op sleeptouw genomen en hebben ’s avonds bij hen thuis een groot deel van de familie ontmoet (en waterpijp gerookt en lekker op de grond gegeten). Erg leuk. Ze zijn vreselijk geintereseerd in Nederland en wilden ondermeer weten of het echt waar is dat zwarte voetballers nooit de bal krijgen van blanke voetballers, haha. Andersom zijn ze ook erg spraakzaam over hun leven in Iran en hoe ze de hoofddoekjes en het conservatisme hier haten. Echt een unieke ervaring en we hebben echt het gevoel een paar vrienden te hebben gevonden. Het afscheid viel ons allen zwaar, boehoe.

Isfahan is fantastisch. Vooral Imam Square, het grote plein, is heel bijzonder. Voor de eerste keer zagen we het rond zeven uur, toen het licht op zijn mooist was. Vreemde ervaring. We raakten allebei echt ontroerd door de schoonheid van deze plek; een sensatie die we allebei nog nooit zo sterk hebben gehad. WE dachten allebei: hier zijn we voor gekomen! Hiervoor gingen we naar de orient. Ook de rest van Isfahan is vergeven met mooie parken, moskeeen, paleizen en zeer mooie bruggen. De sfeer is heel ontspannen.

Na Isfahan zijn we naar Yazd gegaan, dat lekker tegen de woestijn aanschurkt. Zoals te voorspellen: het is hier heet heet heet. En heel exotisch. We hebben een heel mooi hotel in de oude binnenstad. Onze kamer zit aan een binnenhofje, met fraaie planten/palmbomen, een vijver (die het gemis van een zwembad er nog even extra inwrijft) en relaxte zitjes. De huizen hier zijn van modder gemaakt en alle straten zijn heel smal en kronkelig. Daardoor is er weinig verkeer en dat is ook wel even een verademing (al moet je nog wel eens opzij springen voor motoren die hard door de stegen crossen).

Opvallend is dat werkelijk alle vrouwen hier in het zwart lopen, maar dat ze ook weer erg vriendelijk zijn. De sfeer is wat relaxter (nog relaxter?) dan in Isfahan. Vanochtend zijn we naar een aantal Zoroastrische sites gegaan (eerste monotheistische godsdienst). Ondermeer naar de Towers of Silence, twee torens die buiten de stad op twee heuvels liggen. Daar werden tot in de jaren zestig de doden naartoe gebracht, alwaar gieren het vlees van de botten konden pulken. Werd eerst het linkeroog opgegeten (een priester ging erbij zitten om te kijken), dan zou iemand naar de hel gaan. Werd het rechteroog als eerste verorberd, dan zou alles goedkomen en wachtte het paradijs. 

Hopelijk kunnen we vanavond naar een soort Iraanse sportschool, waar stoere mannen allerlei gewichten heffen onder begeleiding van muziek en poezie. Morgen hopen we de elementen te trotseren - eerder de temperatuur – en een woestijntocht te maken. Daarna gaan we naar een Karavanserai (toch nog een beetje zijderoute!, om D’s verjaardag te vieren (hint, de zestiende)). Daarna Shiraz en vervolgens Teheran om daar het vliegtuig te pakken naar Griekenland. Nog even een tweetal weken ZWEMMEN! (hoofddoek af, kleren uit, bikini aan, zwembroek voor Dimi, alcohol en vooral zee, zee, zee). Later nog meer verhalen. Hier alvast de foto’s.  \"Bier\"

Sumela kloosterGoed, we zijn weer een flink stuk verder en hebben een aardig portie Oost-Turkije gezien. Na de Kackars zijn we naar Erzurum vertrokken (via Sumela, een klooster hoog n de rotsen)) om ons toch maar weer in de visumellende te storten. Bij het İraanse consulaat zeiden ze zeven, nee tien dagen (het fluctueerde nogal) dus dat leek wel oke. We moesten eerst nog langs Kars, dus dat zou wel goed komen.

İn Kars hebben we het nuttige met het aangename verenigd. Deze oostelijke en nogal geisoleerde plaats is toneel van de beroemde roman van Orhan Pamuk ‘Sneeuw’. De locaties van het boek en een aantal personages zijn op waarheid, of echte personen gebaseerd. Wij wilden wel eens uitzoeken waar alles zich heeft afgespeeld, wie die personen waren en of het thema van het boek – de spanning tussen politieke islam en secularisme – nog steeds actueel is.

Kars - BayrampaşaKars - Bayrampaşa.Kars - BayrampaşaHet waren een paar interessante dagen, die ons begrip van Turkije toch weer hebben doen wankelen. We hebben veel mensen ontmoet die ons geheel onbaatzuchtig op sleeptouw hebben genomen (een studente die eigenlijk voor een examen moest blokken). We zijn op plekken geweest waar je normaal niet snel zou komen (bijvoorbeeld Bayrampaşa, de “sloppenwijk”). Wat we te weten zijn gekomen, dat lezen jullie later, maar laten we verklappen dat onder de oppervlakte hele andere dingen borrelen.

Aniİn Kars het consulaat gebeld en te horen gekregen dat we spoedig ons visum konden halen, maar nog een paar dagen moesten wachten. We hebben Ani nog bezocht, de oude Armeense hoofdstad die nu op Turks grondgebied ligt (maar uitkijkt op Armenie).

AniDaarna hebben we een omweg gemaakt via Doğubeyazıt, een grensstadje in de schaduw van Mount Ararat. Een erg mooie tocht, langs wilde dalen, ruwe bergen en veelkleurige landschappen. We scheerden continu langs de Armeense grens en reden Koerdisch gebied binnen: vanaf nu extra veel militairen en veel controles. Doğabeyazıt bleek een nogal chaotisch stadje, dat van zichzelf weinig fraais te tonen heeft. Wel ligt nabij een mooi oud paleis (İshak Paşa), dat uitkijkt over een indrukwekkend dal.Mount Ararat - uitzivht vanuit onze hotelkamer!

İshak Paşa paleisİshak Paşa paleis“Snel” naar Erzurum (door zware winters geteisterd wegdek). Daar bleek dat we toch nog langer moesten wachten op ons visum. Erzurum wordt vaak in een adem genoemd met Konya en staat dus bekend als een zeer conservatieve stad, een prima plek om nog een paar dagen te ontspannen… Op straat veel vrouwen geheel bedekt in het zwart (we noemden ze voor het gemak maar “pinguins”). Veel mannen in en voor theehuizen, allemaal plukkend aan hun bidkettinkjes. Maar echt, de sfeer is heel ontspannen. Goed eten voor weinig geld. We zijn nog even wezen kijken op de universiteitscampus (op zoek naar een Engelstalige film, niet gevonden, alleen een slechte actiefılm met jet li) en daar maakte iedereen zich op voor een goed avondje stappen. Wij natuurlijk vroeg in de veren (op Dimi’s verzoek, wordt al een dagje ouder). Volgende dag auto gehuurd en door het berglandschap gecrossed, door de Georgian Valley’s (behoorde vroeger tot het Georgische koninkrijk). Erg mooi.

Erzurum - Seljuk medrese (10e-11e eeuw)Erzurum - oude mannen voor medrese spelen met hun bidkettingVandaag eindelijk ons visum gekregen en morgenochtend steken we de grens met İran over (nu dus aan ons laatste biertje..). We willen beginnen in Tabriz en vandaaruit verder. Wellicht vliegen naar Esfahan en dan het hart van İran ontdekken (Yazd, Shiraz, en hopelijk nog de woestijn). Jullie zullen het lezen..

En weer terug…

Sneeuw expeditiede prachtig gelegen Holy Trinity kerkWe zijn weer terug in Turkije. Alweer een paar dagen zitten we hoog in de Kackarbergen in NO Turkije. We hebben behoorlijk wat meegemaakt (vandaar de relatief lange stilte) en we zullen proberen even kort aan te geven wat we allemaal hebben gedaan.

De Holy Trinity bij schemer, vanuit het dorp gezienIn Georgie zijn we na Tbilisi naar het noorden gegaan, naar Kazbegi, een plaatsje dat naar een hoge berg is vernoemd. Die berg is de zes-na-hoogste berg van de Caucasus en dat wil nog steeds heel veel zeggen, t.w. ruim 5000 meter. De weg er naar toe was al memorabel. Het eerste-de-beste-gevoel kwam weer helemaal terug en ja, je kunt nog meer mensen en spullen in een nog ouder en brakker busje persen. En dat oude brakke zelfbouw-busje (met net iets teveel afgedankte vliegtuigstoelen erin gemonteerd) is dan ook nog eens in staat om over de Military Highway dwars over een hoge berg te puffen. Prachtig uitzicht, veel bijna doodervaringen, ontzaglijk slechte wegen (beter gezegd: stukjes asfalt om gaten en grote stenen heen) waardoor de chauffeur wel rustig moest rijden (gelukkig).

De rokende top van de Mt. Kazbeg (5034 m)Kazbegi zelf was overweldigend. Prachtig gebied. Alles was ruig. De bergen, de besneeuwde pieken, de half weggespoelde wegen, de half verlaten dorpen die ineenstorten onder de armoede, de straten waar koeien, stieren en honden het plaveisel bevuilden. In de minibus, de Marshrutka, ontmoetten we Julia en Anthony, een Russin en een Brit die beide Russisch spraken. Met hen zijn we een paar dagen opgetrokken en zij hebben vele deuren voor ons kunnen openen, omdat we via hen eindelijk een beetje normaal met de Georgiers konden communiceren.

Allereerst troonden ze ons al mee naar een goede homestay, een bed en breakfast, gerund door Nazi, wier karakter gelukkig diametraal stond tegenover wat haar naam suggereert. Deze altijd vrolijke en gastvrije vrouw heeft ons een paar dagen lang flink volgepropt, de onderhandelingen gevoerd met de taxichauffers en ervoor gezorgd dat we alle mooie plekjes te zien kregen.

Op de tweede dag zijn we de Kazbegi berg opgegaan. Op ruim 2000 meter hoogte hebben enkele helden in de veertiende eeuw een mooie kerk neergezet. Die kerk kijkt eenzaam uit over het dal en over de pieken aan de overkant van dat dal. Het is schitterend en niet voor niets staat voor veel Georgiers deze plek als symbool voor de schoonheid van hun land. Het sneeuwde echter, waardoor we niet verder konden lopen.  De weersomstandigheden in de bergen veranderen met de minuut.

Gergeti trekkingWe zijn teruggegaan en hebben ’s middags een taxi genomen naar een paar watervallen even ten noorden van Kazbegi. Nou ja taxi. Het was een nagemaakte Amerikaanse legerjeep van Russische makelij die flink wat benzinedampen uitbraakte in de auto zelf. Wederom een memorabele tocht. De tunnel was helemaal donker en de chauffeur moest om gaten en stenen zigzaggen. Daarna de berg op via iets dat een weg moest zijn, maar vooral een hoop stenen was. We werden met zijn vieren lekker door elkaar geschud. De watervallen waren mooi, zeker omdat veel adelaars erboven zweefden. Daarna hebben we nog een klein uitstapje gemaakt naar de grens met Tjetsjenie die gesloten is. Dat heeft vooral te maken met Russische pesterijen en niet met gevechten; het is nu relatief rustig. Die gesloten grens is overigens de oorzaak van een hoop armoede. In de winter zitten de Kazbegi’s letterlijk opgesloten in hun dal omdat de enige doorgangbare pas via Rusland loopt.

De volgende dag hadden we goed weer en zijn we hoger geklommen, tot ca 4000 meter. We wilden op zijn minst de gletsjer halen. Dat is waarschijnlijk gelukt, maar er lag veel sneeuw (zakten soms meer dan een meter weg) en de gletsjer was dus niet te zien. Wel prachtige uitzichten op de top (rook eromheen, wordt ook wel de rokende berg genoemd). En een voldaan gevoel vooral nadat we de snijdende wind, de kou en de sneeuw heelhuids hadden getrotseerd.

Help!De dag daarna namen we afscheid van Julia en Anthony en gingen we met zijn tweeen nog naar de Truso vallei. Wederom een tocht die de nodige doodsverachting vraagt maar wederom de moeite waard. Het is een totaal verlaten vallei (alleen veel schapen en paar herders) waar je met de auto niet kunt komen. Het lijkt alsof God op de laatste dag van de schepping nog van alle kleuren een beetje over had en die maar op deze vallei heeft gekwakt. Paarse rotsen, witte zoutafzettingen, zwavelbronnen die de grond geel kleurden (en een niet al te frisse lucht verspreidden), alle tinten groen van de velden, ‘bloedende’ rotsen waar rood ijzerhoudend water uit kwam. Erg indrukwekkend. Daarnaast was er een aantal verlaten dorpjes met oude torens. Best wel een beetje eng. We hoopten dat er geen rare types meer rondwaarden; het was allemaal wel erg verlaten…

De volgende dag terug naar Tbilisi, alwaar we een ander hotel namen in een wat leukere wijk; een homestay van Irina. Vooral bezig geweest met het kopen van een treinkaartje, wat erg moeizaam ging (onduidelijk bij welk loket je moest zijn, informatiebalie die geen informatie kon geven, loketten die tegelijk dichtgingen toen wij aan de beurt waren om koffiepauze te houden zodat iedereen dus maar even een half uur moest wachten). Trein naar Batumi genomen de volgende dag (helaas geen zitplaatsen aan het raam, grrr).

Stalin museum met enthousiaste historicusIn Batumi overnacht in een oud Sovjet hotel, de Sputnik. De service was naar verwachting belabberd. Batumi echter maakte een goede indruk. Het heeft een heel apart klimaat waardoor het een tropische aanblik heeft. De binnenstad ziet er voor Georgische begrippen goed uit. Iets minder bedelaars, maar nog steeds veel gokhalen die 24 uur p/d open zijn. We hadden alleen maar een ochtend en zijn nog even langs het Stalin museum gewipt. Stalin heeft daar 2 maanden gewoond, ergens begin vorige eeuw. Een nogal surrealistische ervaring, zeker omdat de curator zich een groot bewonderaar van de ijzeren dictator toonde.

Bus naar de Kackars genomen (weer mogen genieten van Georgische popmuziek, volume max). Turkije was weer een soort thuiskomen. Alles heel soepel, vriendelijke en behulpzame mensen, alles lijkt ineens weer heel georganiseerd (al is dat heeeel relatief).

Nienke wordt in Hemsin tooi gehesenZondag zijn we ons wandelprogramma in de Kackars begonnen. Aanvankelijk waren we totaal niet meer onder de indruk van deze ‘heuveltjes’, zeker na ons Georgisch avontuur. Maar toen we wat dieper het gebied in zijn gegaan, is het allemaal toch wel weer erg mooi. En hebben we weer door de sneeuw mogen ploeteren. Het weer is eindelijk oke en we hebben al aardig wat van het gebied gezien. Mooie dorpjes die op grote hoogte liggen en maar een paar maanden per jaar bewoond worden. Aardige hemsinmensen ontmoet (die Nienke nog in plaatselijke hoofdtooi hebben gehesen). Volgende keer meer.

Het wilde oosten

De zwavelbaden met orthodox georische kerk op de achtergrondHet is onze derde dag in Tbilisi, Georgie, en vandaag hebben we maar even een rustdag genomen. We zitten op de noordelijke oever van de stad, op een steile heuvel en het water stroomt met een rotgang over de straten: het regent de hele dag al pijpenstelen. We zijn maar binnen gebleven in onze balzaal van een hotelkamer en hebben ons toegelegd op lezen, werken (wireless internet) en de rest van onze dagen in Georgie plannen.

Drie dagen terug hebben we de eveneens regenachtige Kackars achter ons gelaten. In het eko-kamp waren we ondertussen onderdeel geworden van het Hemsin-gezin Demirci: vader Mehmet (tevens gids, kamp-bouwer, fotograaf en schrijver), moeder Kader, puberdochter Gunedya (14) en de kleine Daglar (4). Jammer En de kleine Daglargenoeg was de overeenomstige vocabulaire gering maar desalniettemin hing er een knusse sfeer.

De familie Demirci (behalve Daglar), in de zelfgebouwde kantine met uitzicht op de bossen aan de overkant van de valleiDe eerste dag hebben we lekker gewandeld door de groene bergen en Hemsin en Laz-dorpjes aangedaan. De volgende dag zijn we mee de jeep (uit 1973, in originele staat) ingenomen naar Ayder, een bergdorpje iets verderop en 1000m hoger. Mooi, bijna Zwitsers met houten chalets. Het hing behoorlijk in de wolken en die zijn we helaas niet meer kwijtgeraakt, de volgende 1,5 dag zaten we er middenin.

 Dinsdagavonds rond een uur of negen zijn we op de bus naar Tbilisi gestapt met het idee daar de volgende ochtend, rond een uur of zes aan te komen. Op de grens zijn we echter gestrand. De elektriciteit was uitgevallen op de grens (de Turkse douane gebruikte mobieltjes en aanstekers om onze gezichten ter controle bij te lichten). En de grens bleef dicht.  Pas rond vier uur mochten we door. Het zou een brakke dag worden. De bus was nogal oud en versleten en het wegendek in Georgie is niet al te beste staat. Gelukkig was de bus grotendeels leeg en konden we een plekje vinden om onze ogen te sluiten, maar van echt slapen is het niet gekomen.

We kwamen rond twaalven lokale tijd in Tbilisi aan en daar bleek dat we ons toch wat beter hadden kunnen voorbereiden (we wisten al niet dat er een tijdverschil was). Het is een fraaie stad,  mooi groen, gelegen tussen twee heuvels met een flinke rivier in het midden, veel met wijnranken overdekte tuinen, kleurige huizen en veel typisch Georgische kerken (met lange torens eindigend in een hoekige puntdak).

Maar het is ook een stad waar je in je eentje voor staat. De taal is onbegrijpelijk. Het alfabet lijkt op een omgekeerde pan spagetti; daar word je niks wijzer van. Op het busstation waren de buskaartjesverkopers en taxichauffeurs erg opdringerig, terwijl wij nog niet eens Georgisch geld (de lari) hadden weten te bemachtigen. Met een uurtje slaap viel dat dus even niet mee.

Georgisch balkon

Snel ons hotel gevonden en daarna de stad ingetrokken,  die we gisteren meer uitgebreid verkend hebben, inclusief een badder- en scubsessie in de beroemde zwavelbaden. Het is een bijzondere ervaring. Enerzijds heel Europees (hoewel Nienke er meer Soviet-associaties bij heeft). Statige gebouwen, een brede boulevard met alle grote modemerken, veel geblindeerde mercedessen.

Anderzijds lijkt de stad omhuld met een laag Caucasische wildheid. Het verkeer is levensgevaarlijk. Als je oversteekt,  weet je ineens hoe het voor dat hert moet voelen als het in je koplampen kijkt en niet weet of het weg moet springen of moet blijven staan. Veel bedelaars en ach, waren het maar junks en alcoholisten, maar nee, het zijn vooral oude vrouwtjes. De gebeurtenissen van de afgelopen twintig jaar (staatsgrepen, aardbeving, opkomst van de zware criminaliteit, drie regio’s die zich willen afscheiden, twee daarvan zijn geslaagd, met duizenden Georgische vluchtelingen als gevolg) zitten in de stad gekrast. Het voelt een beetje als lopen door Berlijn: de geschiedenis ademt uit de stenen en het plaveisel.  En ook hier is het geen fraaie historie.

Het is zoals gezegd geen makkelijke stad. Hij zit boordevol energie, die ongericht lijkt. Onze reisgids,  vier jaar oud, is al hopeloos verouderd. Straatjes vol restaurants lijken verdwenen,  hotels bestaan niet meer en alles lijkt anders dan het lijkt, misschien ook door het raadselachtige schrift. Ondertussen is de sfeer hier ook heel ontspannen en als je even het vieze laagje eraf pelt, dan blijkt er heel wat moois onder te zitten. Misschien…  over een paar jaar dat Tbilisi een echte parel kan zijn; het is nu vooralsnog een interessante ervaring.mooie maar vervallen balkons, drankwinkel, oude vrouw

De komende dagen gaan we verder het land in. Morgen naar de oude hoofdstad Mtschetka, die tevens het spirituele hart van het land is. Die spiritualiteit is alomvertegenwoordigd. Als Georgiers langs een kerk lopen, dan slaan ze 3 kruizen. Opvallend veel jonge mannen lopen in priestergewaad. Daarna gaan we naar het noorden, naar het echte Caucasische hooggebergte, naar Kazbegi. Dat ligt nog net in de veilige gebieden (veel gebieden kun je niet in vanwege seperatisten en bandieten) en biedt uitzicht op de hoogste bergen van Europa die je voor een groot deel kunt verkennen (bijna zesduizend meter). Schijnt heel bijzonder te zijn.

Vervolgens gaan we langzaam weer richting Turkije. In ieder geval langs Gori, waar Stalin is geboren en opgegroeid. Dat is nog steeds een pervers bedevaartsoort dat heel surrealistisch schijnt te zijn. We zullen vermoedelijk eindigen bij de Zwarte Zee, maar dat zien we nog wel. Wederom, later  meer.

De afgelopen dagen hebben we weer ons zitvlees getart door flinke stukken met de bus af te leggen. En hoe Oostelijker (of Noordelijker?) we komen, hoe kleiner en gammeler de busjes..

 In Sinop wachtte ons weinig anders dan regen, wat het al niet al te levendige plaatsje er niet fraaier op maakte. We zijn daarom snel naar Amasya vertrokken, dat nog een stuk oostelijker langs de kust ligt en dan nog twee uur landinwaarts.

Amasya - Ottomaanse huizen hangen over het water. Op de achtergrond pontische tomben. Dat was de rit meer dan waard. Het is een van de mooiste stadjes die we tot nu toe zijn tegengekomen. De Turken zijn over het algemeen niet zo van het restaureren, of uberhaupt heel zorgvuldig omgaan met het culturele erfgoed (nu verzuipen ze er hier in ruim 4000 jaar geschiedenis, dus heel verwonderlijk is dat ook weer niet), maar Amasya is daar een mooie uitzondering op. Het kleine plaatsje ligt tussen een paar steile bergen aan een lichtmeanderende rivier. In het centrum hangen gerestaureerde Ottomaanse huizen een beetje boven het water protserig te wezen. Vanaf een mooie boulevard zijn ze te bewonderen. Een fort bovenop de berg en oude Pontische graftombes maken het af.

Onze Ottomaanase kamer in AmasyaWe verbleven zelf ook in zo’n Ottomaans huis, in een kamer waar je met gemak een Mammoet kan stallen. Het hele huis leek een openluchtmuseum, met allemaal oude – misschien wel antieke – Ottomaanse spullen, kleden en zelfs onze bedden zagen er oud uit (al lagen ze best prima). De badkamer van de luxe kamer (we hadden de villa voor onszelf maar als goede Hollanders de goedkoopste kamer gekozen, zonder eigen badkamer) was weggewerkt in een kast. Het was een fijne plek.

De luxekamer in het Ottomaanse gasthuisAmasya was leuk, maar een volle dag was genoeg. Hierop besloten we door te stomen naar de Kaçkars, helemaal in het noordoosten. Dus weer flink bussen langs de Zwarte Zee. Dat heeft overigens toch wel een heel eigen sfeer. Je merkt het vooral aan de menukaart, die na drie weken er weer ineens heel exotisch uitziet. Normaal gesproken maakt het niet uit. We doen vaak een soort Russisch roulette: als we er niet uitkomen, en de plaatjes ontbreken, dan kiezen we maar wat. In Giresun kwam dat ons duur te staan. Na een dag bussen (heel efficiente aansluitingen (3x) zonder kans om even naar de wc te gaan of eten te kopen en dus honger) neergeploft in een hip ogend restaurantje in Giresun (dat verder geen vermelding behoeft). We kwamen er niet uit met de ongeduldige ober en bestelden maar çorba, soep, dat is altijd veilig. Eenmaal gepresenteerd deed de walm anders vermoeden en de glibberige taaie stukjes vlees gaven ook weinig reden tot optimisme. Ik dacht aan darmsoep en begon stug – ‘do as the locals do’ -  de boel naar binnen te lepelen. Nienke dacht vooral aan het ontbijt dat weer naar boven dreigde te komen. Na een paar happen concludeerden we dat het ging om pens-soep, maar eerlijk gezegd, was het niet te eten. We hebben maar vriendelijk en enigszins beschaamd afgerekend bij de beteuterde ober.

De Zwarte zeeGiresun dus snel achter ons gelaten. Het was een (relatief) klein stukje naar Ekodanitap, een paar bungalows bij het plaatsje Çlamlıhemşin, waar de bergen zo’n beetje beginnen. We hadd al een paar weken wat vruchteloos met de eigenaar gemaild voor een tocht door de bergen. Dat kan pas eind mei, maar we wilden voor Tbilisi nog even wat natuurrust dus zijn alvast even langsgegaan.

Daar hebben we geen spijt van gekregen. Het kampje ligt erg mooi, halverwege een berg, uitkijkend op andere bergen waarvan de toppen door wolken aan het zicht worden onttrokken. Je kunt er met de auto niet komen, het laatste stuk moet je over een glibberig pad. Op het kampje zelf staan vier bungalows en een kantine die een prachtig uitzicht biedt over de valei vol theeplantages. We zijn de enige gasten dus het is hier heerlijk rustig. Overigens wel warm water, koelkast, tv en wireless internet, hoera.

 De familie Demirci woont er met vader, moeder een dochter die advocaat wil worden en een zoontje van vier met een schattig en bijzonder expressief gezicht, hij kan vooral heel getergd en nors kijken. Ze spreken een beetje Engels en dat maakt het leuk. We eten gewoon met hun mee en krijgen vooral lokale pot voorgeschoteld, wat erg lekker is (tot nu toe nog geen penssoep). Ze behoren tot een plaatselijk, en haast vergeten volk, de Hemşin, die er zo hun eigen gewoonten op nahouden (elkaar eens per jaar natgooien bijvoorbeeld). Ze hebben Armeense wortels en dat maakt ze wel een beetje buitenbeentjes. Vader Demirci is een bijzonder ondernemend type dat erg begaan is met de natuur en cultuur van dit gebied. We blijven hier dus nog maar even hangen. Later meer.De Ekodanitap bungalows

We zijn weer een flink stuk verder getrokken en kijken nu vanuit onze hotelkamer uit op de Zwarte Zee en de haven van Sinop. In Cappadocia hebben we nog twee dagen nagenoten van onze ballonvaart en het een beetje rustig aan gedaan. De laatste dag wilden we eigenlijk een auto huren en de ondergrondse steden gaan bekijken, maar het weer was zo slecht, dat we dat maar gelaten hebben. Ik (D) had nog werk liggen en dit leek wel een geschikt moment om mij daartoe te zetten. Wel zijn we ’s middags, toen het opklaarde, gaan wandelen in de Rozen Vallei. Dat was wederom erg indrukwekkend – al wordt alles een beetje gewoontjes als je het van bovenaf hebt gezien. Ook hier veel grote rotsen, die zijn uitgehold tot kerken en verblijfplaatsen. Het waaide alsof het Laatste Oordeel aanstaande was. Bliksem. Regenspetters. Er waren nauwelijks mensen. We moesten schuilen in een grot en konden vanaf daar al het stof hard langs de rotsen zien waaien en de bliksem inslaan in de vallei van Goreme. Erg indrukwekkend.

De volgende dag zijn we vroeg vertrokken richting Ankara, om vandaaruit verder te reizen naar Kastamonu. Vooral het tweede deel van de tocht was mooi. Het ging dwars door de bergen heen, door beboste dalen, langs rivieren en diepe ravijnen. Dan word je weer even geconfronteerd met de rijstijl der Turken. Natuurlijk haal je vlak voor omhooglopende bochten in. Het liefst rijd je zoveel mogelijk links van de weg, of op zijn minst op het midden. En al die ‘verboden in te halen’ borden, die gelden toch als vriendelijk, doch onnodig advies? Vanaf onze hoge positie in de bus, staarden we regelmatig in het niets. Nou ja, of liever gezegd, keken we de dood gergeld in de ogen.

Kastamonu is weinig bijzonders (vooral bekend om de kettingzagen en melkmachines die er blijkbaar gretig aftrek vinden). Een aardige stopover met vriendelijke mensen. We konden pas de volgende dag om 17.00 uur naar Sinop en hebben onze tijd gedood op het onvermijdelijke kasteel-op-de-rots en met wat regeldingen voor als we gaan hiken in het Oosten. Gisteravond nog wel even de overwinning van Galatasaray meegemaakt (landskampioen) dat luid gevierd werd.

’s Middags dus wederom weer aan het rijden. Dit keer in een klein busje. Ik moest meteen denken aan het programma De Eerste de Beste, aan een aflevering ergens in de vroege jaren tachtig die veel indruk heeft gemaakt. Toen moesten zoveel mogelijk mensen zich in een Deux Cheveau proppen en ze kwamen op ongeveer 35 man. Nou zoiets was het dus. Maar wij hadden mooi zitplaatsen, helemaal achterin, waar we lekker heen en weer geschud werden (de cola zit nog steeds in mijn oren).

De tocht was wederom prachtig. Steile bergen. Dennenwouden. Mist die tussen de bergruggen hing. Mist die vooral ook op de weg hing. Al kon dat onze chauffeur niet deren. Met nog geen vijftig meter zicht in een bocht een vrachtwagen inhalen. Geen probleem. Voor hem tenminste. Mijn hart zat in mijn keel.  Dat heeft weinig meer met rijden te maken,  maar puur met kansberekening. Ondergaande zon, die boven de mistige bergen de lucht roze kleurde, maakte alles goed.  Nu in fijn hotel en lekker eten.

Het kado

Lieve mensen,

Gisteren hebben we een ballonvaart gemaakt boven Cappadocie, ons huwelijkskado van velen van jullie. Nou, het was fantastisch! Hier een foto verslagje..

We waren niet de enigen..İn het mandjeİn de lucht!Balonnenregen, met op de achtergond Uçhisar, waar we verblijvenZwaaiende mensen (het leek alsof ze nog nooit een luchtballon hadden gezien??)

Een cocktail om de \"humpty-bumpty\" maar veilige landing te vieren

De zoektocht

Zoals beloofd het verslag van onze wervelende zoektocht naar sporen van de familie Tokmetzis in Kütahya. Het verslag vind je hier: De zoektocht (mocht het niet werken, dan hoor ik dat graag).

Foto’s van Nienke vind je hier: http://www.flickr.com/gp/11925875@N04/670Vf3

Naar de Efteling

Gisteren zijn we aangekomen in Uchisar, dat midden in Cappadocia ligt. We hebben een hotel dat hoog op de heuvel ligt en vanuit ons bed kijken we uit op een sprookjesachtige valei. Het groene landschap wordt doorsneden door grillige ravijnen die, naar gelang de stand van de zon, van kleur verschieten: wit, roze, geel, lichtbruin. Even verderop, voorbij het bekende dorpje Goreme, ligt een hoog en stijl plateau. De erosie heeft kleurrijke strepen achtergelaten op de flanken.

Onze vriend Abdullah

Tussen al die natuurpracht, staan puntige rotsen, die wel wat weghebben van kaboutermutsen. Het zijn conische formaties die zichzelf in allerlei rare bochten lijken te draaien. En het gekke is dat die puntmutsen soms bewoond worden: er zit een raam in, een deur en naast het huis wijst een satellietschotel omhoog. Deze omgeving lijkt haast wel het sprookjesbos van de Efteling, alleen dan een factor tien groter.

 

Uitzicht Kutahya vanaf het fortVanmiddag werd die bevreemding verder aangewakkerd toen we een eerste wandeling maakten door de ravijnen. De rotsen hangen haast over je heen en door het vreemde gesteente (vulkanische overblijfselen) loop je in een soort maanlandschap. De rotsen zijn zo licht dat ze van zand lijken gemaakt en ieder moment korrelig uit elkaar kunnen vallen. Op de terugweg weergalmde ook nog eens de oproep tot het gebed door de valeien. Ieder moment verwacht je dat een Ottomaanse karavaan de hoek om komt zetten. Kortom: het is hier erg mooi.

 

De afgelopen dagen hebben we Kutahya verder verkend. Abdullah, een luchtmachtofficier die we in de taalschool hebben ontmoet, heeft ons op sleeptouw genomen en de leuke plekken van de stad laten zien. Zo kwamen we terecht in een patriciershuis die nog in oude stijl bewaard was gebleven en waar we allervriendelijkst ontvangen werden. Er was een heerlijk terras waar ze verrukkelijke thee schonken, uit eigen tuin. Daarna zijn we naar het fort getogen, dat ver boven de stad ligt. Daar hebben we de zonsondergang gadegeslagen.

Tiled Mosque KutahyaDe volgende dag hebben we een auto gehuurd en hebben we ons in het Turkse verkeer gewaagd. Dat ging best goed. Het is in Kutahya niet zo gek druk, dus het was wel te doen. Ons reisdoel was de Phrygian Valley, waar al duizenden jaren geleden een voorzichtige poging tot beschavinging was. Zo op het eerste gezicht lijkt het op Cappadocia, maar dan is het eerder het kleine zusje: nog niet zo spectaculair.

 

 

 

Herder op ezel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Al snel losten de borden in het niets op en reden we over verlaten wegen naar…nou ja, nergens. De wegen waren nog niet echt begaanbaar (de winters zijn hier streng en dat is aan de wegen te merken). Op een gegeven moment was er weinig meer over behalve een soort karrenspoort met wat grind. Onze fiat kon het nog maar net bijbenen. Wel een iddylisch plekje gevonden om te picknicken, maar ook iets teveel avontuur: we hadden geen goede kaart en dan wil je liever niet verdwalen in een gebied zo groot als de Randstad, maar waar geen mens komt.

Dimi met fiat

Phrygian Valley Rots

We zijn een stuk omgereden om verderop het gebied weer in te gaan. Daar aangekomen werd Nienke echter ziek (net als vorig jaar bij de Lycian Way weer last van hot-cold sickness). We zijn toen maar teruggegaan. Na een uurtje slapen had ze echter weer honger als een paard en ging alles weer goed. De volgende dag hebben we gewoon de hele dag in een de bus kunnen zittten (Konya hebben we maar overgeslagen, al wilden we daar eerst naartoe). 

Picknick in de bush

We blijven nu een paar dagen in Cappadocia. We hebben net geboekt voor een ballonvaart over dit fantastische landschap: oftewel het cadeau van velen voor ons huwelijk. We zullen er vast van genieten, want het is hier met recht wonderbaarlijk. Ik denk dat we hier nog wel een tijdje blijven. Het is een mooie plek om uit te rusten na de hectische dagen in Kutahya. Later meer (en natuurlijk de foto’s).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hasanoğlu

Nienke en ik hebben een paar wervelende dagen achter de rug in Kütahya (wat we overigens consequent fout hebben geschreven). We kwamen hier om uit te zoeken waar mijn Griekse familie heeft gewoond. We moesten het doen met zeer sumiere informatie. We wisten dat ze hier tot circa 1922 hebben gewoond en daarna verdreven zijn; dat ze in de buurt van een Grieks Orthodoxe kerk, de Agios Stefanos, hebben gewoond; dat ze metaal- of ijzergieters waren; dat er Turks bloed in de familie zit, en tenslotte dat ze Chatzanoglou of Xatzanoglou heetten.

Maar weinigen hier spreken Engels, wat het zoeken erg lastig maakt. Ook het feit dat de etnische spanningen van toen nog steeds gevoelig liggen, maakte het niet makkelijk. Toch is het met de inzet van velen gelukt om in ieder geval de kerk te vinden en waarschijnlijk ook het huis, of wat daar nog van over is. En we heetten Hasanoğlu, wat zoon van Hasan betekent.

Voor ons was het een zeer bijzondere dag, waarin we een diepe en verfrissende duik hebben mogen nemen in de Turkse gastvrijheid en behulpzaamheid. Binnenkort volgt het verslag.

Oudere Berichten »