De afgelopen dagen hebben we weer ons zitvlees getart door flinke stukken met de bus af te leggen. En hoe Oostelijker (of Noordelijker?) we komen, hoe kleiner en gammeler de busjes..
In Sinop wachtte ons weinig anders dan regen, wat het al niet al te levendige plaatsje er niet fraaier op maakte. We zijn daarom snel naar Amasya vertrokken, dat nog een stuk oostelijker langs de kust ligt en dan nog twee uur landinwaarts.
Dat was de rit meer dan waard. Het is een van de mooiste stadjes die we tot nu toe zijn tegengekomen. De Turken zijn over het algemeen niet zo van het restaureren, of uberhaupt heel zorgvuldig omgaan met het culturele erfgoed (nu verzuipen ze er hier in ruim 4000 jaar geschiedenis, dus heel verwonderlijk is dat ook weer niet), maar Amasya is daar een mooie uitzondering op. Het kleine plaatsje ligt tussen een paar steile bergen aan een lichtmeanderende rivier. In het centrum hangen gerestaureerde Ottomaanse huizen een beetje boven het water protserig te wezen. Vanaf een mooie boulevard zijn ze te bewonderen. Een fort bovenop de berg en oude Pontische graftombes maken het af.
We verbleven zelf ook in zo’n Ottomaans huis, in een kamer waar je met gemak een Mammoet kan stallen. Het hele huis leek een openluchtmuseum, met allemaal oude – misschien wel antieke – Ottomaanse spullen, kleden en zelfs onze bedden zagen er oud uit (al lagen ze best prima). De badkamer van de luxe kamer (we hadden de villa voor onszelf maar als goede Hollanders de goedkoopste kamer gekozen, zonder eigen badkamer) was weggewerkt in een kast. Het was een fijne plek.
Amasya was leuk, maar een volle dag was genoeg. Hierop besloten we door te stomen naar de Kaçkars, helemaal in het noordoosten. Dus weer flink bussen langs de Zwarte Zee. Dat heeft overigens toch wel een heel eigen sfeer. Je merkt het vooral aan de menukaart, die na drie weken er weer ineens heel exotisch uitziet. Normaal gesproken maakt het niet uit. We doen vaak een soort Russisch roulette: als we er niet uitkomen, en de plaatjes ontbreken, dan kiezen we maar wat. In Giresun kwam dat ons duur te staan. Na een dag bussen (heel efficiente aansluitingen (3x) zonder kans om even naar de wc te gaan of eten te kopen en dus honger) neergeploft in een hip ogend restaurantje in Giresun (dat verder geen vermelding behoeft). We kwamen er niet uit met de ongeduldige ober en bestelden maar çorba, soep, dat is altijd veilig. Eenmaal gepresenteerd deed de walm anders vermoeden en de glibberige taaie stukjes vlees gaven ook weinig reden tot optimisme. Ik dacht aan darmsoep en begon stug – ‘do as the locals do’ - de boel naar binnen te lepelen. Nienke dacht vooral aan het ontbijt dat weer naar boven dreigde te komen. Na een paar happen concludeerden we dat het ging om pens-soep, maar eerlijk gezegd, was het niet te eten. We hebben maar vriendelijk en enigszins beschaamd afgerekend bij de beteuterde ober.
Giresun dus snel achter ons gelaten. Het was een (relatief) klein stukje naar Ekodanitap, een paar bungalows bij het plaatsje Çlamlıhemşin, waar de bergen zo’n beetje beginnen. We hadd al een paar weken wat vruchteloos met de eigenaar gemaild voor een tocht door de bergen. Dat kan pas eind mei, maar we wilden voor Tbilisi nog even wat natuurrust dus zijn alvast even langsgegaan.
Daar hebben we geen spijt van gekregen. Het kampje ligt erg mooi, halverwege een berg, uitkijkend op andere bergen waarvan de toppen door wolken aan het zicht worden onttrokken. Je kunt er met de auto niet komen, het laatste stuk moet je over een glibberig pad. Op het kampje zelf staan vier bungalows en een kantine die een prachtig uitzicht biedt over de valei vol theeplantages. We zijn de enige gasten dus het is hier heerlijk rustig. Overigens wel warm water, koelkast, tv en wireless internet, hoera.
De familie Demirci woont er met vader, moeder een dochter die advocaat wil worden en een zoontje van vier met een schattig en bijzonder expressief gezicht, hij kan vooral heel getergd en nors kijken. Ze spreken een beetje Engels en dat maakt het leuk. We eten gewoon met hun mee en krijgen vooral lokale pot voorgeschoteld, wat erg lekker is (tot nu toe nog geen penssoep). Ze behoren tot een plaatselijk, en haast vergeten volk, de Hemşin, die er zo hun eigen gewoonten op nahouden (elkaar eens per jaar natgooien bijvoorbeeld). Ze hebben Armeense wortels en dat maakt ze wel een beetje buitenbeentjes. Vader Demirci is een bijzonder ondernemend type dat erg begaan is met de natuur en cultuur van dit gebied. We blijven hier dus nog maar even hangen. Later meer.


