Het is onze derde dag in Tbilisi, Georgie, en vandaag hebben we maar even een rustdag genomen. We zitten op de noordelijke oever van de stad, op een steile heuvel en het water stroomt met een rotgang over de straten: het regent de hele dag al pijpenstelen. We zijn maar binnen gebleven in onze balzaal van een hotelkamer en hebben ons toegelegd op lezen, werken (wireless internet) en de rest van onze dagen in Georgie plannen.
Drie dagen terug hebben we de eveneens regenachtige Kackars achter ons gelaten. In het eko-kamp waren we ondertussen onderdeel geworden van het Hemsin-gezin Demirci: vader Mehmet (tevens gids, kamp-bouwer, fotograaf en schrijver), moeder Kader, puberdochter Gunedya (14) en de kleine Daglar (4). Jammer
genoeg was de overeenomstige vocabulaire gering maar desalniettemin hing er een knusse sfeer.
De eerste dag hebben we lekker gewandeld door de groene bergen en Hemsin en Laz-dorpjes aangedaan. De volgende dag zijn we mee de jeep (uit 1973, in originele staat) ingenomen naar Ayder, een bergdorpje iets verderop en 1000m hoger. Mooi, bijna Zwitsers met houten chalets. Het hing behoorlijk in de wolken en die zijn we helaas niet meer kwijtgeraakt, de volgende 1,5 dag zaten we er middenin.
Dinsdagavonds rond een uur of negen zijn we op de bus naar Tbilisi gestapt met het idee daar de volgende ochtend, rond een uur of zes aan te komen. Op de grens zijn we echter gestrand. De elektriciteit was uitgevallen op de grens (de Turkse douane gebruikte mobieltjes en aanstekers om onze gezichten ter controle bij te lichten). En de grens bleef dicht. Pas rond vier uur mochten we door. Het zou een brakke dag worden. De bus was nogal oud en versleten en het wegendek in Georgie is niet al te beste staat. Gelukkig was de bus grotendeels leeg en konden we een plekje vinden om onze ogen te sluiten, maar van echt slapen is het niet gekomen.
We kwamen rond twaalven lokale tijd in Tbilisi aan en daar bleek dat we ons toch wat beter hadden kunnen voorbereiden (we wisten al niet dat er een tijdverschil was). Het is een fraaie stad, mooi groen, gelegen tussen twee heuvels met een flinke rivier in het midden, veel met wijnranken overdekte tuinen, kleurige huizen en veel typisch Georgische kerken (met lange torens eindigend in een hoekige puntdak).
Maar het is ook een stad waar je in je eentje voor staat. De taal is onbegrijpelijk. Het alfabet lijkt op een omgekeerde pan spagetti; daar word je niks wijzer van. Op het busstation waren de buskaartjesverkopers en taxichauffeurs erg opdringerig, terwijl wij nog niet eens Georgisch geld (de lari) hadden weten te bemachtigen. Met een uurtje slaap viel dat dus even niet mee.

Snel ons hotel gevonden en daarna de stad ingetrokken, die we gisteren meer uitgebreid verkend hebben, inclusief een badder- en scubsessie in de beroemde zwavelbaden. Het is een bijzondere ervaring. Enerzijds heel Europees (hoewel Nienke er meer Soviet-associaties bij heeft). Statige gebouwen, een brede boulevard met alle grote modemerken, veel geblindeerde mercedessen.
Anderzijds lijkt de stad omhuld met een laag Caucasische wildheid. Het verkeer is levensgevaarlijk. Als je oversteekt, weet je ineens hoe het voor dat hert moet voelen als het in je koplampen kijkt en niet weet of het weg moet springen of moet blijven staan. Veel bedelaars en ach, waren het maar junks en alcoholisten, maar nee, het zijn vooral oude vrouwtjes. De gebeurtenissen van de afgelopen twintig jaar (staatsgrepen, aardbeving, opkomst van de zware criminaliteit, drie regio’s die zich willen afscheiden, twee daarvan zijn geslaagd, met duizenden Georgische vluchtelingen als gevolg) zitten in de stad gekrast. Het voelt een beetje als lopen door Berlijn: de geschiedenis ademt uit de stenen en het plaveisel. En ook hier is het geen fraaie historie.
Het is zoals gezegd geen makkelijke stad. Hij zit boordevol energie, die ongericht lijkt. Onze reisgids, vier jaar oud, is al hopeloos verouderd. Straatjes vol restaurants lijken verdwenen, hotels bestaan niet meer en alles lijkt anders dan het lijkt, misschien ook door het raadselachtige schrift. Ondertussen is de sfeer hier ook heel ontspannen en als je even het vieze laagje eraf pelt, dan blijkt er heel wat moois onder te zitten. Misschien… over een paar jaar dat Tbilisi een echte parel kan zijn; het is nu vooralsnog een interessante ervaring.
De komende dagen gaan we verder het land in. Morgen naar de oude hoofdstad Mtschetka, die tevens het spirituele hart van het land is. Die spiritualiteit is alomvertegenwoordigd. Als Georgiers langs een kerk lopen, dan slaan ze 3 kruizen. Opvallend veel jonge mannen lopen in priestergewaad. Daarna gaan we naar het noorden, naar het echte Caucasische hooggebergte, naar Kazbegi. Dat ligt nog net in de veilige gebieden (veel gebieden kun je niet in vanwege seperatisten en bandieten) en biedt uitzicht op de hoogste bergen van Europa die je voor een groot deel kunt verkennen (bijna zesduizend meter). Schijnt heel bijzonder te zijn.
Vervolgens gaan we langzaam weer richting Turkije. In ieder geval langs Gori, waar Stalin is geboren en opgegroeid. Dat is nog steeds een pervers bedevaartsoort dat heel surrealistisch schijnt te zijn. We zullen vermoedelijk eindigen bij de Zwarte Zee, maar dat zien we nog wel. Wederom, later meer.


