

We zijn weer terug in Turkije. Alweer een paar dagen zitten we hoog in de Kackarbergen in NO Turkije. We hebben behoorlijk wat meegemaakt (vandaar de relatief lange stilte) en we zullen proberen even kort aan te geven wat we allemaal hebben gedaan.
In Georgie zijn we na Tbilisi naar het noorden gegaan, naar Kazbegi, een plaatsje dat naar een hoge berg is vernoemd. Die berg is de zes-na-hoogste berg van de Caucasus en dat wil nog steeds heel veel zeggen, t.w. ruim 5000 meter. De weg er naar toe was al memorabel. Het eerste-de-beste-gevoel kwam weer helemaal terug en ja, je kunt nog meer mensen en spullen in een nog ouder en brakker busje persen. En dat oude brakke zelfbouw-busje (met net iets teveel afgedankte vliegtuigstoelen erin gemonteerd) is dan ook nog eens in staat om over de Military Highway dwars over een hoge berg te puffen. Prachtig uitzicht, veel bijna doodervaringen, ontzaglijk slechte wegen (beter gezegd: stukjes asfalt om gaten en grote stenen heen) waardoor de chauffeur wel rustig moest rijden (gelukkig).
Kazbegi zelf was overweldigend. Prachtig gebied. Alles was ruig. De bergen, de besneeuwde pieken, de half weggespoelde wegen, de half verlaten dorpen die ineenstorten onder de armoede, de straten waar koeien, stieren en honden het plaveisel bevuilden. In de minibus, de Marshrutka, ontmoetten we Julia en Anthony, een Russin en een Brit die beide Russisch spraken. Met hen zijn we een paar dagen opgetrokken en zij hebben vele deuren voor ons kunnen openen, omdat we via hen eindelijk een beetje normaal met de Georgiers konden communiceren.
Allereerst troonden ze ons al mee naar een goede homestay, een bed en breakfast, gerund door Nazi, wier karakter gelukkig diametraal stond tegenover wat haar naam suggereert. Deze altijd vrolijke en gastvrije vrouw heeft ons een paar dagen lang flink volgepropt, de onderhandelingen gevoerd met de taxichauffers en ervoor gezorgd dat we alle mooie plekjes te zien kregen.
Op de tweede dag zijn we de Kazbegi berg opgegaan. Op ruim 2000 meter hoogte hebben enkele helden in de veertiende eeuw een mooie kerk neergezet. Die kerk kijkt eenzaam uit over het dal en over de pieken aan de overkant van dat dal. Het is schitterend en niet voor niets staat voor veel Georgiers deze plek als symbool voor de schoonheid van hun land. Het sneeuwde echter, waardoor we niet verder konden lopen. De weersomstandigheden in de bergen veranderen met de minuut.
We zijn teruggegaan en hebben ’s middags een taxi genomen naar een paar watervallen even ten noorden van Kazbegi. Nou ja taxi. Het was een nagemaakte Amerikaanse legerjeep van Russische makelij die flink wat benzinedampen uitbraakte in de auto zelf. Wederom een memorabele tocht. De tunnel was helemaal donker en de chauffeur moest om gaten en stenen zigzaggen. Daarna de berg op via iets dat een weg moest zijn, maar vooral een hoop stenen was. We werden met zijn vieren lekker door elkaar geschud. De watervallen waren mooi, zeker omdat veel adelaars erboven zweefden. Daarna hebben we nog een klein uitstapje gemaakt naar de grens met Tjetsjenie die gesloten is. Dat heeft vooral te maken met Russische pesterijen en niet met gevechten; het is nu relatief rustig. Die gesloten grens is overigens de oorzaak van een hoop armoede. In de winter zitten de Kazbegi’s letterlijk opgesloten in hun dal omdat de enige doorgangbare pas via Rusland loopt.
De volgende dag hadden we goed weer en zijn we hoger geklommen, tot ca 4000 meter. We wilden op zijn minst de gletsjer halen. Dat is waarschijnlijk gelukt, maar er lag veel sneeuw (zakten soms meer dan een meter weg) en de gletsjer was dus niet te zien. Wel prachtige uitzichten op de top (rook eromheen, wordt ook wel de rokende berg genoemd). En een voldaan gevoel vooral nadat we de snijdende wind, de kou en de sneeuw heelhuids hadden getrotseerd.
De dag daarna namen we afscheid van Julia en Anthony en gingen we met zijn tweeen nog naar de Truso vallei. Wederom een tocht die de nodige doodsverachting vraagt maar wederom de moeite waard. Het is een totaal verlaten vallei (alleen veel schapen en paar herders) waar je met de auto niet kunt komen. Het lijkt alsof God op de laatste dag van de schepping nog van alle kleuren een beetje over had en die maar op deze vallei heeft gekwakt. Paarse rotsen, witte zoutafzettingen, zwavelbronnen die de grond geel kleurden (en een niet al te frisse lucht verspreidden), alle tinten groen van de velden, ‘bloedende’ rotsen waar rood ijzerhoudend water uit kwam. Erg indrukwekkend. Daarnaast was er een aantal verlaten dorpjes met oude torens. Best wel een beetje eng. We hoopten dat er geen rare types meer rondwaarden; het was allemaal wel erg verlaten…
De volgende dag terug naar Tbilisi, alwaar we een ander hotel namen in een wat leukere wijk; een homestay van Irina. Vooral bezig geweest met het kopen van een treinkaartje, wat erg moeizaam ging (onduidelijk bij welk loket je moest zijn, informatiebalie die geen informatie kon geven, loketten die tegelijk dichtgingen toen wij aan de beurt waren om koffiepauze te houden zodat iedereen dus maar even een half uur moest wachten). Trein naar Batumi genomen de volgende dag (helaas geen zitplaatsen aan het raam, grrr).
In Batumi overnacht in een oud Sovjet hotel, de Sputnik. De service was naar verwachting belabberd. Batumi echter maakte een goede indruk. Het heeft een heel apart klimaat waardoor het een tropische aanblik heeft. De binnenstad ziet er voor Georgische begrippen goed uit. Iets minder bedelaars, maar nog steeds veel gokhalen die 24 uur p/d open zijn. We hadden alleen maar een ochtend en zijn nog even langs het Stalin museum gewipt. Stalin heeft daar 2 maanden gewoond, ergens begin vorige eeuw. Een nogal surrealistische ervaring, zeker omdat de curator zich een groot bewonderaar van de ijzeren dictator toonde.
Bus naar de Kackars genomen (weer mogen genieten van Georgische popmuziek, volume max). Turkije was weer een soort thuiskomen. Alles heel soepel, vriendelijke en behulpzame mensen, alles lijkt ineens weer heel georganiseerd (al is dat heeeel relatief).
Zondag zijn we ons wandelprogramma in de Kackars begonnen. Aanvankelijk waren we totaal niet meer onder de indruk van deze ‘heuveltjes’, zeker na ons Georgisch avontuur. Maar toen we wat dieper het gebied in zijn gegaan, is het allemaal toch wel weer erg mooi. En hebben we weer door de sneeuw mogen ploeteren. Het weer is eindelijk oke en we hebben al aardig wat van het gebied gezien. Mooie dorpjes die op grote hoogte liggen en maar een paar maanden per jaar bewoond worden. Aardige hemsinmensen ontmoet (die Nienke nog in plaatselijke hoofdtooi hebben gehesen). Volgende keer meer.



Ha Nienkedimitri!
heb ik eindelijk een keer de tijd om te reageren! Wat reageren er weing mensen op jullie ‘posts’! De inhoud is geweldig, dus daar kan het niet aan liggen. Zouden ze vinden dat je je reactie niet op internet behoort te plaatsen en ben ik die regel nu aan het schenden?
Hoe dan ook: ik wou dat ik daar was. Bergen zijn mijn ding, 5000-ers klinkt spectaculair maar ik hou echt heel erg van echte wildernis en het klinkt alsof er daar nog echte wildernis is. Mountainbiken in de Ardennen is ook leuk, maar jullie pakken het concept ‘vakantie’ toch echt beter aan!
Geniet en ik mail nog,
Michael
gaaf dat bloedende beekje! ziet er erg griezelig uit. alsof nienke gewond is.
lees nog steeds met veel plezier mee hoor,
groetjes lotte